Daan

Zijn vader was hoogleraar staatsrecht, zijn moeder strafpleiter. Beiden lieten hem vrij in zijn keuze, zoals met veel in zijn opvoeding. Hoewel hij zeker niet van plan was geweest zijn ouders achterna te gaan, was zijn keuze toch op Rechten gevallen. Niet in Groningen, zeker niet. Hij wilde uit het zicht van zijn ouders kunnen studeren. Maar eenmaal op zijn studentenkamer in Amsterdam, bleef van zijn aanvankelijke optimisme niet veel over. Tijdens het eerste college werd het al voorspeld: “kijk rechts van je, kijk links van je, zij halen de eindstreep niet”. Hij wist meteen, dat ben ik. Hij was die loser. Hij bleef in bed liggen in plaats van naar college te gaan, hij stelde het studeren voor tentamens uit, en hij durfde, nadat hij het eerste werkcollege had gemist, bij de tweede niet alsnog aan te schuiven. Het eerste tentamen haalde hij niet. Hij wist wel dat hij het best kon, maar dat gaf hem geen vertrouwen.  Het versterkte zijn gevoel alleen maar. Vanaf december ging hij maar helemaal niet meer naar college. Niemand die hem belde. Niemand die zich druk maakte om hem. ‘Zie je wel’ hoorde hij studenten en docenten in gedachten over hem zeggen. ‘Zie je wel, een loser”
Ik interviewde hem in de kelder van de faculteit.
“Weet je hoe ik me voelde toen ik naar Groningen moest om ze te vertellen dat ik het jaar niet gehaald had” zei hij, bijna fluisterend, zijn ogen strak op de vloer gericht. Ik probeerde het me voor te stellen.

Zijn verhaal stond aan de basis voor Daan, de persona (fictieve ijkpersoon) die wij creëerden voor de faculteit Rechten. Daan, een talentvolle achttienjarige jongen – puber nog. Daan, nog lang niet de kritische, intellectuele en welbespraakte jurist tot wie hij best zou kunnen uitgroeien.
De decaan, die deze fictieve Daan op papier voor zich op tafel had liggen, wilde aanvankelijk, dit soort ‘losers’ ontmoedigen aan zijn faculteit te komen studeren. Die gasten vielen toch uit en dat kostte hem geld. Niet voor niets had hij Ideate gevraagd hem te adviseren hoe hij het studiesucces aan zijn opleiding kon verhogen. Toen Daan eenmaal als een A4tje voor hem op tafel lag, en hij Daans’ reactie op de ‘kijk rechts, kijk links’ uitspraak tot zich door liet dringen, gebeurde er iets. “Dus, als ik het goed begrijp’ begon hij, “als wij Daan wel hadden gezien, gebeld, hem misschien een schop onder zijn kont hadden gegeven, zou juist deze Daan bij mij gaan promoveren?”

Daan had zijn doel bereikt.

 

 

Column door Renske Bouwknegt